Notitie gevolgen verlaging overdrachtsbelasting
Op 1 juli 2011 is het besluit (nr. BLKB 2011/1290M) gepubliceerd waarin wordt goedgekeurd dat met ingang van 15 juni 2011 voor de verkrijging van een woning de overdrachtsbelasting tijdelijk wordt geheven naar een tarief van 2 procent. Deze maatregel zal worden opgenomen in het Belastingplan 2012. Het besluit met het goedkeurende beleid loopt vooruit op het Belastingplan. De verlaging geldt tot 1 juli 2012.
De verlaging naar een tarief van 2% geldt alleen voor 'woningen' of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Woningen worden in het besluit als volgt omschreven: "onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd voor bewoning door particulieren". Het maakt geen verschil of de verkrijger de woning zelf gaat bewonen of dat de verkrijger de woning verhuurt aan een particulier." Het begrip woningen moet niet te beperkt worden opgevat. Het besluit geldt ook voor de ondergrond en de tuin: "Tot de woning behoren ook aanhorigheden zoals garages, schuren, serres, aan- en uitbouwen, tuinhekken en dergelijke die zich bevinden op hetzelfde perceel als de woning. Een garage die tot hetzelfde gebouwencomplex als de woning behoort, wordt ook tot de woning gerekend." Echter, een losse garagebox behoort niet tot het begrip woningen en bij een overdracht daarvan geldt het tarief van 6%. Dit geldt ook voor de overdracht van een perceel tuingrond die bij de woning ligt. De levering van deze ‘losse’ grond is belast met 6% overdrachtsbelasting.
Tweede woningen en recreatiewoningen vallen ook onder het begrip woning als het woningen betreft die naar hun aard zijn bestemd voor bewoning door particulieren. Of deze woningen zijn verhuurd of niet, maakt voor toepassing van de 2% niet uit.
Ook ‘rechten waaraan deze zijn onderworpen’ valt onder het begrip woning. Ondermeer de afstanddoening van een recht van vruchtgebruik en de aankoop van bloot-eigendom zijn daarom belast tegen het tarief van 2% .
Voor onroerende zaken die niet geheel zijn bestemd voor bewoning geldt het uitgangspunt dat uitsluitend op de waarde van het deel dat voor particuliere bewoning is bestemd het tarief van 2 procent wordt toegepast. Als de onroerende zaak qua oppervlakte nagenoeg geheel (90% of meer) bestemd is voor bewoning, kan voor de verkrijging van de gehele onroerende zaak het tarief van 2% worden toegepast.
In het besluit worden voorbeelden genoemd van onroerende zaken die niet als woning worden aangemerkt:
- bedrijfsgebouwen en –ruimtes;
- afzonderlijke garageboxen;
- hotels/pensions;
- asielzoekerscentra;
- een onroerende zaak die bestemd is voor gebruik als een verpleeg- of
verzorgingsinstelling of ziekenhuis;
- internaten; en
- grond bestemd voor woningbouw.
Voor de verkrijging van artikel 4-aandelen geldt dat het tarief van 2% uitsluitend kan worden toegepast op de waarde als bedoeld in artikel 10 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer voor zover die waarde betrekking heeft op woningen. De verkrijger van de woning kan een bv zijn of een andere rechtspersoon. Op deze verkrijging is het tarief van 2% gewoon van toepassing. Het gaat namelijk om het object van de verkrijging en niet om wie de woning verkrijgt. Ook een belegger die de woning wil doorverkopen en niet wil verhuren wordt belast met 2%.

